Hank en Kittekat

Een hond

‘Mama, ik wil wel een hondje.’ Ze kijkt me aan met haar chocoladebruine ogen, die iets groter dan normaal lijken. Een schuine blik. Bijna schalks te noemen. Ik schud mijn hoofd. ‘Echt niet’.

Ik probeer haar af te leiden met de andere levende dingen in ons huis. ‘We hebben toch al visjes!’ Haar ogen lichten nog meer op. ‘Blubba en Blubbie zijn lief. Mama, ik ben een visje.’ En ze gaat snel op de grond liggen en probeert naar een kast te zwemmen, terwijl ze blub, blub piept.

Ik heb een vreemd kind. Eentje met een gebruiksaanwijzing. Maar ook een met boel veel humor. We lachen hard om onze eigen grapjes of om de buurpoes die kaalgeschoren door de tuin sluipt. Of we grinniken om de buik van papa. Ze houdt van salamanders en wormen. Ze vindt babies stinken naar poep en ’s avonds in bed zingt ze liedjes die ze zelf verzint.

Een dag later speelt ze een overtuigende hond. Ze kwispelt en likt onze gezichten onvrijwillig, waarna ze op mij probeer te liggen. ‘Wraf, waf!’ Ze kijkt me hoopvol aan, maar ik schud mijn hoofd.
‘Echt niet’.

  1. Wat handig, een hondje en kind ineen!

  2. Tis stil hier….